Kleine zwartkop ( Curruca melanocephala )

 

De kleine zwartkop is een 13-14 centimeter grote grasmus .

Het mannetje heeft een grijze rug en onderdelen, een zwarte kop, witte keel en een rode oogring.

Het vrouwtje heeft een bruingrijze rug en onderdelen en een grijze kop, tevens een rode oogring. 

Juveniele vogels lijken op het vrouwtje. 

De zang is als die van de grasmus, maar langer en voller, gezongen door het mannetje zittend of in baltsvlucht.

 

 

 

Het nest bestaat uit takjes, droge stengels, gras en wortels en het ligt in de struiken op enige afstand boven de grond.

De 3-5 geelwitte eieren, sterk roestbruin gevlekt, worden van april tot juni gelegd en in 13-14 dagen uitgebroed.

Beide geslachten broeden.

De jongen, die na 11-12 dagen uitvliegen, worden ook door beide ouders verzorgd.

Nadat ze het nest hebben verlaten, worden ze nog enige tijd gevoerd.

Kleine zwartkoppen broeden tweemaal per jaar.

 

In het broedseizoen eten kleine zwartkoppen insecten en spinnen, in het najaar ook bessen en andere vruchten.

Hij komt voor in het Middelands zeegebied, Noord Afrika en een deel van Azië.