Lentevuurspin ( Eresus sandaliatus )

 

De lentevuurspin is vrij zeldzaam, ze komt slechts in acht Europese landen voor.

Ze vertoeft liefst op droge, voedselarme zand- en heidegrond.

In België leeft ze enkel in Lommel, op een voormalig bedrijventerrein.

Vrouwtjes en onvolwassen spinnen leven ondergronds, in een zelf gegraven holletje dat ze zorgvuldig aankleden met spinsel.

Aan de ingang van de woonst bouwt de spin een klein, onopvallend, maar zeer stevig web om prooien te vangen.

 

Het vrouwtje wordt 8 tot 16 mm groot en de mannetjes bereiken een lengte van 6 tot 11 mm.

De vrouwtjes zijn geheel zwart, afgezien van de verspreide gelige beharing.

De mannetjes zijn zwart met een zeer opvallend, helderrood achterlijf met vier grote zwarte stippen en twee kleine.

Alle poten hebben witte ringbanden.

Het vrouwtje wordt zelden gezien omdat zij ingegraven leeft in een ondergronds hol.

Vanaf haar jeugd leeft ze in het hol dat is bekleed met spinsel.

In het voorjaar moet ze uit noodzaak de gang wel vergroten.

Het vanggedeelte van het spinsel (een koepelvormig web) bevindt zich boven de grond.

 

Afhankelijk van de grootte en ouderdom van de spin kan dit deel wel 3 cm boven de grond uitsteken.

Het mannetje bouwt eenzelfde soort web.

Als het mannetje na enkele jaren volwassen is geworden, verlaat hij begin april zijn woonbuis en gaat op zoek naar een vrouwtje.

Hij gaat, traag lopend, met zijn korte, dikke poten de omgeving verkennen.

Het vinden van een wijfje doet hij met behulp van feromonen.

De paring vindt plaats in de woonbuis van het vrouwtje en daar maakt ze ook het eipakket.

Na het uitkomen van de eitjes voedt de moeder de jonge spinnetjes met voedselsappen.

Ze sterft echter al na korte tijd.

De jonge spinnen zuigen de moeder dan verder leeg.

Na enige tijd zwermen de jongen uit en bouwen hun eigen woonbuizen.

Het volwassen worden neemt 3 jaar in beslag.

Het voedsel bestaat uit keversduizendpotenmieren en soms zelfs andere spinnen.

 

De spin is veelal te vinden op op het zuiden gerichte hellingen, bij voorkeur met een begroeiing van korstmossen.

Deze begroeiing bestaat hoofdzakelijk uit rood bekermos (Cladonia coccifera).

Er wordt vermoed dat de rode kleur van de vruchtlichamen een zekere camouflage biedt.