Egel ( Erinaceus europaeus )

 

Egels komen voor in een grote variatie aan landschappen, zolang er voldoende onderbegroeiing is en de bodem niet al te vochtig is.

Ze zijn plaatselijk talrijk in loofbossen met ondergroei, vochtige weiden en grasvelden.

Egels houden van randgebieden waar deze leefgebieden samenkomen.

De egel komt ook voor in zandduinen, mits begroeid.

Ook in de buurt van de mens komt hij voor, voornamelijk in tuinen en boomgaarden.

Hij is algemener in halfstedelijk dan in landelijk gebied.

In versnipperd gebied gebruikt hij bermen en kleine paadjes als verbindingswegen.

Egels mijden naaldwouden en moerasgebieden.

 

De egel is een van de grotere insecteneters.

Hij heeft een gedrongen lichaam, een spitse kop en een kleine staart, die hij verborgen houdt tussen de stekels.

De kop begint breed, maar loopt spits toe naar de donkere snuit.

Aan het uiteinde van de snuit bevinden zich tien paar neusharen.

De oren zijn klein en nauwelijks zichtbaar.

De ogen zijn klein en zwart en staan zijwaarts in het gezicht.

De schedel is verlengd. 

De tanden slijten snel door zand, steen en aarde die de dieren meekrijgen met het voedsel.

Hierdoor zijn de tanden bij oudere dieren vaak afgebroken of zelfs verdwenen.

Alhoewel bij het lopen de buik zich dicht bij de grond bevindt, zijn de poten vrij lang, ongeveer tien centimeter van de heup naar de tenen. Tijdens het lopen houdt het dier ze zeer gebogen.

Aan iedere poot bevinden zich vijf tenen, die alle voorzien zijn van een klauw.

De vachtkleur varieert van geel- en grijsbruin tot donkerbruin.

Een donker V-vormig masker loopt over de snuit.

De buik is grijs- tot donkerbruin, met een bruine vlek op de borst die qua grootte varieert.

Hiermee is de soort te onderscheiden van de nauw verwante Oost-europese egel, die een witte borstvlek heeft.

 

Egels voeden zich vooral met kevers, regenwormen, spinnen, slakken, duizendpoten en rupsen.

Ook muizen, amfibieën, aas en allerlei resten van menselijke etenswaren maken in beperkte mate deel uit van hun dieet.

Ze eten ook kleine hoeveelheden plantaardig voedsel (vruchten, paddenstoelen).

Soms worden ook eieren en reptielen (hagedissen, slangen) verorberd.