Pimpelmees ( Cyanistes caeruleus )

 

De pimpelmees is, net als de koolmees, een bosvogel die zich heeft aangepast aan de menselijke omgeving.

Ook broedt hij graag in nestkasten en komt in de winter dicht bij huis, bungelend aan vetbollen en pindanetjes.

Pimpelmezen kunnen zelfs op de dunste twijgjes nog voedsel zoeken.

Ze stellen niet veel eisen aan hun leefomgeving en zijn dan ook veel te vinden in tuinen en parken.

Hij heeft een kenmerkend blauw ‘petje’, gele borst, smalle, zwarte oogstreep, zwartblauwe kinvlek en blauwachtige vleugels.

Mannetjes helderder van kleur dan vrouwtjes en juvenielen.

In bosrijke gebieden met veel oude loofbomen komt de pimpelmees in de hoogste dichtheden voor, daar broeden zij in boomholtes.

Ook in dorpen en steden komt de pimpelmees veel voor en broedt daar graag in nestkasten.

De pimpelmees is veel te vinden in parken en tuinen, waar zij ook graag gebruikmaken van bijvoedering.

's Winters ook in rietkragen.

Hun voedsel bestaat In broedtijd vooral uit insecten en hun larven (rupsen), spinnen en andere geleedpotigen.

In de winter ook veel zaden (onder meer berk, lariks, haagbeuk Spaanse aak) en pinda's; zijn dan ook veel te vinden op voedertafels.

's Winters ook in riet, op zoek naar insecten die uit de rietstengels worden gehakt.

Foerageert vaak vrij hoog in de boom, in dunne takken en aan twijgen.

Broedt van eind maart tot in juli. Heeft in die periode één tot twee legsels met elk 7-13 eieren. Broedduur: 13-15 dagen.

Pimpelmezen broeden behalve in boomholtes ook graag in nestkasten.

De jongen zitten 18-21 dagen op het nest.

Als ze zijn uitgevlogen, worden ze nog zo'n 2-3 weken gevoerd.