Nachtegaal ( Luscinia megarhynchos )

 

De nachtegaal is een plompe, stevig gebouwde vogel met warmbruine bovendelen en een rossig bruine staart.

De buikzijde is grijsbruin en de keel is eerder licht van kleur.

De ogen zijn betrekkelijk groot.

Jonge vogels zijn gevlekt als jonge Roodborsten maar herkenbaar aan het grote formaat.

Nachtegalen zingen regelmatig in de nacht maar men zal ze net zo goed op een namiddag kunnen horen zingen.

Vanaf half april komen de nachtegalen aan in België en bezetten een territorium in dicht struikgewas aan de rand van een bos.

Bij voorkeur zal dit de zuidrand van het bos zijn.

Schaduwrijke dichte bosschages met een ondergroei van brandnetels is hun geliefde biotoop.

 

 

Het mannetje heeft verschillende zangposten waarvan sommige goed zichtbaar maar de meeste in het dichte struikgewas.

Vaak hebben ze ook een zangpost bij het nest.

Een baltsend mannetje spreidt zijn vleugels en staart en toont zijn opvallend gele mondholte.

 

 

Het nest bestaat uit een onderlaag van dode bladeren in een kuiltje tussen de brandnetels dus dicht bij de grond.

Ze leggen 4 tot 5 eieren waarbij enkel het vrouwtje voor het uitbroeden instaat.

 

Bij verstoring van het nest doet het vrouwtje alsof ze gewond is.

De jongen worden door beide ouders verzorgd en verlaten het nest al na dag 11 of 12.

Ze hebben een witachtige rand langs de snavel waardoor ze beter in het halfduister opgemerkt worden door de ouders.

Wanneer men dicht langs het nest loopt dan hoort men een lage 'karr' of een vloeiende 'uwiet'

Nachtegalen hebben maar 1 broedsel per jaar.

 

Zomergast

Wintergast