Merel ( Turdus merula )

 

De merel is de meest algemene en een van de bekendste vogels van ons land.

Recentelijk heeft de soort echter te lijden gehad onder het usutuvirus.

Merels zijn luidruchtig. Als er een kat in de buurt is, waarschuwen ze langdurig met hun luide alarmroep andere dieren.

De nesten zijn vaak makkelijk te vinden waardoor veel eieren en jongen aan katten en kraaien ten prooi vallen.

Ondanks die verliezen zijn de merels nog steeds zeer talrijk: ze compenseren dit natuurlijke verlies door veel jongen groot te brengen.

De merel man brengt in het voorjaar een fraai lied ten gehore vanaf een hoge plek.

Het mannetje  is geheel zwart en het vrouwtje donkerbruin van kleur met iets lichtere borst, die bruin gestreept is. S

navel is geel of oranjeachtig van kleur.

Jonge merels lijken veel op vrouwtje maar zijn vaak donziger en lijken daardoor groter dan volwassen vrouwtjes, ook is het verenkleed iets lichter.

In de herfst kleuren de jongen naar een kleed dat veel lijkt op dat van de volwassen vogels.

Waar grasvelden zijn en bomen en struiken, daar zijn merels.

En in bijna geheel België is zo'n biotoop voorhanden.

Van weilanden tot wegbermen, merels weten er hun voedsel te vinden.

Het talrijkst in groene buitenwijken en in vochtige bossen met veel ondergroei.

Het voedsel bestaat uit wormen, insecten, bodemdiertjes, bessen en fruit.

Het grootste deel van de merels is standvogel, een ander deel overwintert in Engeland of zuidelijker tot in Spanje en Portugal.

In september tot november trekken veel Noord-Europese vogels door ons land, met name 's nachts.

Tussen half maart en half april vindt de trek in omgekeerde richting plaats.

Broedt van eind maart tot in juli. Heeft twee legsels (soms drie) per broedseizoen, met elk 4-5 eieren.

Broedduur: 11-15 dagen.

Broedt in bossen en bosrijke landschappen, maar in Nederland vaak ook daarbuiten, geregeld in houtwallen en lanen, soms in solitaire bomen in open landschap en zelfs wel eens op de grond.

Ook in steden, in tuinen en groenstroken. Het nest is een relatief grote kom, gemaakt van droog gras en kleine takjes.

De binnenkant is bekleed met modder, fijner gras en plantenstengels.

De eieren zijn groen van kleur met kleine bruinrode vlekjes.

Het liefst maken ze hun nest in dichte struiken of lage bomen, in klimop en andere lage beplantingen.