Koperwiek ( Turdus iliacus )

 

De koperwiek is een lijster soort  met koperrode 'oksels' die in vlucht opvallend zijn.

Het is een kleine lijster met vrij korte staart en een opvallende wenkbrauwstreep en witte mondstreep.

Hij heeft een roestbruine ondervleugel waaraan hij zijn naam te danken heeft.

Het zijn karakteristieke broedvogels van de naaldbossen van Scandinavië.

 

Koperwieken zijn alleen van september tot mei in België te zien, vooral op besdragende struiken in parken en tuinen en op weilanden grenzend aan hagen en bosjes.

Koperwieken hoor je in oktober overtrekken.

Met een scherp en lang 'psriiiihhhh' houden de vogels contact met elkaar.

Ze trekken met miljoenen over ons land, soms in enkele dagen of zelfs één dag.

Koperwieken zijn in de winter regelmatig (in groepjes) aan te treffen in weilanden, boomgaarden, bossen, parken en tuinen.

Ze foerageren op besdragende struiken: duindoorn , maar ook de bessen van hulst, lijsterbes en kardinaalsmuts eten ze graag.

In zijn Scandinavische broedgebied broedt de koperwiek in dicht struikgewas en in bomen.

Leeft vooral in naaldbossen, maar ook in berkenbossen en op bergvlaktes en zelfs in wilgenbos.

In de winter eten ze voornamelijk wormen, bessen en zaden.

Tijdens de broedtijd insecten, wormen en slakken.

Koperwieken zijn relatief schuwe vogels die bij het minste gevaar beschutting opzoeken.