Kievit ( Vanellus vanellus )

 

 

De kievit is een typische weidevogel maar ook te vinden op akkers.

De rug is recht en in de zomer donkergroen met een paarse en koperen gloed, wat ook voor de bovenkant van de vleugels geldt tot aan het uiteinde met de witte toppen.

In de winter is de rug groener met gelige randen aan de veren.

De stuit is wit en heeft een zwarte vlek met een witte rand aan het uiteinde van de staart.

Langs de flanken heeft de kievit een zwarte rand.

De onderkant van de brede afgeronde vleugels zijn deels wit.

Aan het uiteinde heeft de vleugel een witte rand.

Vanaf daar tot een derde van de vleugel zijn de veren zwart gekleurd.

De buik is wit met onder de staart een oranje vlek.

Ook de bovenkant van de staartdekveren is oranje; bij het nestkrabben is die vlek duidelijk zichtbaar.

Van borst tot keel heeft de mannelijke kievit een zwarte band die doorloopt als een zwarte streep onder het oog en over de zwarte korte snavel.

De keel is bij het vrouwtje gespikkeld zwart-wit.

Op de wang heeft de kievit een witte vlek.

De nek is zwart tot grijs.

De kievit heeft een hoog voorhoofd en een zwarte kap die overgaat in de voor de kievit zo karakteristieke zwarte kuif.

Deze kuif is bij de vrouwtjes korter dan bij de mannetjes.

In de winter is de kuif van het mannetje korter dan in de zomer.

De kievit komt in het najaar in grote groepen samen om naar het warme zuiden te trekken.

Bij gevaar veinst een kievit een gebroken vleugel en probeert zo een naderende wezel, vos of hermelijn weg te lokken bij het nest.

Het hoofdvoedsel van de kievit wordt gevormd door rode regenwormen.

Daarnaast eten ze allerlei insecten en ook onrijpe zaden.

De beschikbaarheid van wormen bepaalt ook hoeveel vogels zich kunnen vestigen in een bepaald gebied.

Meestal broedt de kievit op grasland, maar ook op bouwland, vooral met maïsstoppels, worden kievitsnesten aangetroffen.