Grote gele kwikstaart ( Motacilla cinerea )

 

De sierlijke grote gele kwikstaart is te vinden langs stromende beken, maar ook wel aan stilstaand water.

De beste plaatsen om deze vogels te vinden, zijn allerlei aangelegde stromen in parken en langs de grote rivieren.

In de winter op meer plaatsen te zien, ook in grote steden.

Mannetjes hebben een gele borst en een helder gele onderzijde.

Bij vrouwtjes blijft het geel beperkt tot de onderzijde.

Daarnaast hebben mannetjes in de broedtijd een zwarte kin en keel, die bij vrouwtjes lichter is.

In alle kleden zijn de vleugels zwart, de mantel grijs en de stuit groengeel.

Witte oog- en mondstreep vallen nog op.

Juveniel ziet eruit als adult in winterkleed, maar heeft een bruine zweem op de borst.

In vlucht brede witte vleugelstrepen te zien.

Heeft verhoudingsgewijs een lange dunne staart.

Wipt constant met staart en achterlichaam.

Bruin-roze poten in tegenstelling tot andere gele kwikstaarten.

Diepe golvende vlucht.

De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd.

Bij voorkeur zijn die beken en rivieren snelstromend, maar hij broedt ook aan zwak of zelfs nauwelijks stromend water, zoals in België.

Menu: Allerlei kleine ongewervelde dieren die in of bij het water leven; vooral insecten, maar ook spinnen, vlokreeftjes en kleine slakjes.

Als insecten worden met name vliegen, muggen, kokerjuffers, haften, steenvliegen en kevers in het voedsel aangetroffen.

Legt tussen eind maart en half juli de eieren, meestal 4-6. Vaak twee legsels per jaar.

Nestelt graag vlak bij stromend water in een nis in een muur of onder een brug of bij boomwortels in oevers.

Ze maken ook gebruik van speciale nestkasten.

Broedduur 11-14 dagen.

De jongen worden na het uitvliegen door de man verzorgd, terwijl de vrouw bezig gaat met het tweede broedsel.

De najaarstrek vindt plaats in september en oktober, als kleine aantallen doortrekken, meestal alleen of hooguit met enkele vogels.

Deze grote gele 'kwikken' zijn afkomstig uit Duitsland, waar grote populaties leven die deels westelijk en noordwestelijk trekken.

Ook trekken er vogels door uit het zuiden van Scandinavië en vermoedelijk uit Polen.

In de winter zijn de aantallen een stuk lager.

Onze eigen broedvogels trekken deels weg; naar het zuiden, tot aan de Pyreneeën.

.