Grote bonte specht ( Dendrocopos major )

 

De grote bonte specht is de meest algemene specht in Vlaanderen.

Met haar zwart-wit verenkleed en de rode broek is het een bekende verschijning.

Ze hebben zwarte bovendelen met twee grote, witte, ovale schoudervlekken, een spierwitte buik en ongestreepte flanken.

De anaalstreek is rood , zwarte kruin en de mannetjes hebben een rood achterhoofd.

Bij de vrouwtjes is dit achterhoofd zwart.

De grote bonte specht wordt 23 tot 26 cm groot.

Zijn eten bestaat uit insecten (larven) en schakelt in de winter over op verschillende boomzaden (vooral van dennen- en sparrenappels), noten (hazelnoot, okkernoot, beuk, haagbeuk) en in mindere mate eikels.

In de zomer worden soms ook eieren en jonge vogels uit nesten geroofd.

De grote bonte specht vind je in alle soorten bos: loofhout, naaldhout of gemengd bos.

Een gevarieerde bosstructuur (jonge en oude bomen, dicht en open bos) geniet de voorkeur.

Ze is niet echt aan bos gebonden.

Ook in een cultuurlandschap met kleine bosjes, laanbomen, parken en tuinen komt de soort voor.

Vooral de hoeveelheid staand dood hout is van belang.

De  specht hakt een nestholte uit in bomen.

Vooral zachte houtsoorten (als berk) zijn favoriet, maar andere boomsoorten worden ook gebruikt om een holte met rond gat in uit te hakken.

Het uithakken van een nestholte duurt gemiddeld 14 - 25 dagen.

Zowel het mannetje als het vrouwtje hakken het hol uit.

Hetzelfde gat wordt vaak meerdere jaren na elkaar gebruikt.

In de nestholte worden de eieren gewoon op het hout gelegd; de grote bonte specht maakt geen comfortabel nest voor de jongen.

De grote bonte specht is net als de meeste andere spechten in staat om haar snavel met een snelheid van zeven meter per seconde tegen een boom te rammen.

Toch leidt dit niet tot hoofdpijn of hersenschade.

Een spechtenschedel heeft immers een aantal unieke aanpassingen.

Zo hebben spechten relatief weinig hersenvocht waardoor de trillingen die bij het roffelen ontstaan slechts in beperkte mate via dit vocht de hersenen kunnen bereiken.

Bovendien zit tussen de snavel en het voorhoofd een sponsachtig bot.

Die beschermlaag vangt de meeste trillingen op, waardoor ze niet tot de hersenen kunnen doordringen.