Groenling ( Chloris chloris )

 

De groenling is een dikke, forse zaadeter met een stierennek.

Met zijn krachtige snavel kan de vogel gemakkelijk harde zaden kraken.

Het is een forse vink met mosgroene bovendelen en geelgroene onderdelen.

Dikke kop met grijze wangen en krachtige, kegelvormige snavel.

In vlucht valt geel op staartzijden en in vleugel op.

Het vrouwtje is doffer, met een bruin getinte en zwak gestreepte rug.

De groenling eet hoofdzakelijk zaden van kruiden, struiken en bomen. Rozenbottels zijn erg in trek.

Op de voedertafel worden vooral zonnebloempitten en ongezouten pindas gegeten.

De stevige snavel wordt gebruikt om de zaden te kraken.

Dat doen ze op een bijzondere manier: de vogel trilt de zaden in de snavel terwijl hij die ronddraait.

Hierdoor komt de vrucht los uit de schil.

De vrucht wordt opgegeten, het omhulsel niet.

De groenling is geëvolueerd van een typische bosrandsoort tot een vogel van parken en tuinen.

De aanwezigheid van enkele hoge bomen (zangpost) en coniferen (broedplek) zijn van belang.

Ook in de omgeving van bomenrijen, houtkanten, boomgaarden kan je groenlingen aantreffen.

Groenlingen maken vaak een nest in het oud nest van een andere soort.

Vooral het vrouwtje staat in voor de nestbouw.

Het bouwen van een nest duurt doorgaans acht à twaalf dagen.

Een legsel bestaat gemiddeld uit vier tot zes eieren.

In grote delen van Europa houden groenlingen er twee legsels per jaar op na.

Het uitbroeden van de eieren duurt twaalf dagen.

Die taak wordt alleen door het vrouwtje uitgevoerd.

Het mannetje helpt wel bij het voederen van de jongen.

Mannetjes groenling paren vaak met meerdere vrouwtjes in eenzelfde broedseizoen.

Eén mannetje kan er uitzonderlijk zelfs vijf vrouwtjes tegelijk op na houden.