Geelgors ( Emberiza citrinella )

 

De geelgors  is de meest voorkomende gors in Europa.

Buiten het broedseizoen verzamelen zich grote groepen geelgorzen, maar tijdens het broedseizoen is de geelgors strikt territoriaal.

Het is een stand- en zwerfvogel die iets groter is dan de mus.

Het bereikt een lichaamslengte van 16 tot 17 centimeter en weegt 25 tot 30 gram.

 

De mannetjes dragen tijdens het broedseizoen een geel verenkleed.

Ze hebben dan een helder gele kop met een paar bruinachtige strepen en een gele onderzijde met een rood-bruine borst.

De vleugeldekveren zijn bruin-grijs gekleurd.

De bovenzijde van het lichaam is bruin met donkere lengte strepen.

De staart is donker en wanneer hij vliegt vallen de witte buitenranden op.

 

De vrouwtjes zijn onopvallend groenbruin van kleur, maar met gele accenten aan de onderkant.

In het winterkleed lijken de vrouwtjes en mannetjes op elkaar.

 

De geelgors leeft hoofdzakelijk van zaden maar in de broedtijd ook van wormen en insecten.

De voeding van jongen bestaat voornamelijk uit ongewervelde dieren, zoals spinnen, kevers, springstaarten, mieren, rupsen en sprinkhanen, maar ook semi-rijpe korrels.

Geelgorzen foerageren bij voorkeur in de vroege ochtend- en avonduren.

Het nest van de geelgors zit op de grond tussen hoge planten en struiken en is gemaakt van halmen, worteltjes en stukjes gras.

Een legsel bestaat meestal uit 4 tot 5 witachtige eieren met bruine vlekken en streepjes.

De broedtijd bedraagt ongeveer 12 tot 14 dagen.

De eieren en jongen worden door beide ouders verzorgd.

 

Door het verdwijnen van heggen en houtwallen is de geelgors in de twintigste eeuw sterk achteruitgegaan.

In Vlaanderen  gaat het nog steeds niet goed met de geelgors want die staat op de Vlaamse rode lijst als bedreigd.