Fuut ( Podiceps cristatus )

 

De fuut is de meest algemeen voorkomende futensoort in ons land.

Hij komt als broedvogel voor in allerlei soorten wateren, van stadsparken en grachten tot duinmeren, moerasgebieden, randen van grote wateren en riviernatuur.

Futen paren soms al vroeg in het jaar met spectaculaire baltsrituelen.

In zomerkleed goed herkenbaar aan wit gemaskeerde kop met bruinrode krans, overlopend in zwart, en verlengde, zwarte kopveren.

Ogen felrood. Bovenzijde bruin, onderzijde wit. Mannetje en vrouwtje identiek.

In winterkleed vaalbruin en wit, met zwarte kopveren; kenmerkend is wit boven de zwarte teugel (tussen oog en snavel). Jongen zijn zwart-wit gestreept.

Broedgebied bestaat uit allerlei typen natuurlijke en aangelegde zoete tot brakke wateren van 0,5 tot ongeveer 5 meter diepte met voldoende vis.

Voorkeur voor aflopende oevers met vegetatie en niet al te dichte onderwatervegetatie.

Behalve in moerassen, op plassen en andere wateren in het buitengebied ook in stedelijk gebied.

Komt buiten de broedtijd ook in zoutwatermilieu voor.

Op het menu staat hoofdzakelijk vis, in mindere mate ongewervelden.

Vis wordt duikend gevangen in water met niet al te dichte onderwatervegetatie.

Vissoorten divers, onder meer voorn, alver, serpeling, riviergrondel, rietvoorn, brasem, stekelbaars. Visdiepte 2-4 meter.

Lang broedseizoen van maart tot in oktober, meeste broedsels mei-juni.

Aantal eieren gemiddeld 3-4, varieert van 1-6.

Meestal één broedsel, soms tweede als jongen eerste nest 6-7 weken oud zijn. Broedduur: 25-29 dagen.

Nest op platform in water, gefixeerd aan begroeiing of tak, bij voorkeur goed verborgen in riet.

Jongen verlaten al snel nest en worden op de rug oudervogels warm gehouden.

Ze worden nog zo'n 10-11 weken gevoerd door de ouders.

Na het broedseizoen wordt broedgebied doorgaans verlaten.

In winter ook grote aantallen van duizenden op de Noordzee.

Bij aanhoudende vorst neemt belang van kustgebieden toe.

Vogels uit Noord- en Noordoost-Europa trekken weg.