Blauwe reiger ( Ardea cinerea )

 

De blauwe reiger is een grote vogel met een lengte van ongeveer 90 tot 98 centimeter.

Hij kan een lichaamsgewicht bereiken van zo'n 2 kilogram.

Het mannetje en het vrouwtje zien er ongeveer hetzelfde uit. Beide geslachten hebben een grijze bovenzijde, vleugels en staart en de vleugeleinden zijn zwart.

De kop is wit met een zwarte band door het oog, die doorloopt in een kuif.

Ook de hals heeft een witte kleur maar is voorzien van lengtestrepen aan de voorzijde.

De buikzijde is grotendeels lichtgrijs van kleur.

De kop draagt een gele, dolkvormige snavel, in de broedtijd kleurt deze soms roodachtig.

De poten zijn lang en bruin van kleur en net als de snavel roodachtig.

De reiger heeft een matig snelle vlucht met langzame, zware en diepe vleugelslagen, maar soms wordt ook een kleine zweefvlucht uitgevoerd.

De nek is hierbij s-vormig ingetrokken en de poten steken achter het lichaam uit.

De vleugels zijn rond, met zwarte uiteinden en een zwarte band over de achtervleugel.

De blauwe reiger verschilt van andere soorten reigers door de relatief grote lichaamslengte, de grijze bovenzijde, de witte kop en hals met brede, zwarte streep van het oog naar de zwarte, sierlijk afhangende kuif.

In België zijn blauwe reigers bijna overal bij water te vinden.

De habitat bestaat uit vochtige weiden, sloten, meren, rivieren .

De blauwe reiger broedt in bomen, soms in rietvelden en is tegenwoordig ook te vinden in stedelijke gebieden.

Vissen van 10 tot 16 cm lengte vormen de hoofdschotel van het menu van de blauwe reiger.

Ook amfibieën, wormen, insecten, kleine zoogdieren en weekdieren staan op de lijst van prooien.

Sommige blauwe reigers zijn standvogels; andere verlaten hun broedplaats en trekken naar streken met een milder klimaat .

In België trekt de blauwe reiger door van half juli tot diep in de winter en in het voorjaar van begin maart tot in mei. Ook zijn er vogels die bij ons overwinteren, maar geen grote aantallen.