Appelvink ( Coccothraustes coccothraustes )

 

De appelvink is een forsgebouwde vinkensoort.

Een volwassen vogel heeft een lichaamslengte van 16,5 tot 18 centimeter. 

De relatief grote kop is oranjebruin met een zwarte kin, keel en teugel.

De appelvink heeft een forse, dikke nek met een grijze nekband.

De zware, kegelvormige snavel is metaalachtig donkerblauw in de zomer en wordt hoornkleurig in de winter.

De korte poten zijn lichtbruin gekleurd.

Op de bovenzijde is het verenkleed donkerbruin op de mantel en wat lichter gekleurd op de stuit en staart.

Het uiteinde van de korte, rechthoekige staart heeft een witte eindband.

Aan de onderzijde is de appelvink overwegend rossig bruin.

De arm- en handpennen van de lange vleugels zijn elk voorzien van een witte vlek in het midden, zodat ze in de vlucht een opvallende witte baan vormen.

 

De geslachten vertonen slechts weinig sexuele dimorfie.

Bij het mannetje is de kop en stuit duidelijk oranjebruin en de onderzijde rossig bruin.

Bij het vrouwtje is het verenkleed hier wat valer gekleurd.

Ook heeft het vrouwtje minder zwart rond de snavelbasis en zijn de slagpennen grijs gekleurd.

Bij het mannetje zijn de slagpennen glanzend zwart.

 

De appelvink is een schuwe vogel die gewoonlijk bij de minste verstoring wegvliegt.

Hij brengt het grootste deel van de dag door in hoge boomkronen, met name tijdens het broedseizoen.

De appelvink komt alleen op de grond om te drinken of, in het najaar en de winter, zich te voeden met gevallen zaden.

Hierbij blijft hij altijd in de buurt van bomen.

Hij leeft solitair, in paren of in kleine groepen.

Het grootste deel van het jaar bewaakt hij een groot territorium.

Wanneer hij nestlingen te voeden heeft, verdedigt hij slechts een klein gedeelte rond het nest.

Tijdens het eten en drinken is de appelvink tamelijk agressief en dominant, zowel tegenover soortgenoten als andere vogels, ongeacht het formaat.

De appelvink foerageert vaak alleen, maar soms ook in groepen, met name in de winter.

 

Het voedsel bestaat voornamelijk uit harde boomzaden en pitten van steenvruchten.

Met zijn krachtige en gespierde snavel kan de appelvink een druk van 25 tot 40 kilogram genereren, genoeg om kersen- en pruimenpitten  te kraken.

Verder bestaat het voedsel uit dennenzaden, bessen en beukennoten.

Soms voedt de appelvink zich met rupsen of insecten welke laatste hij ook soms in de vlucht vangt.