Rups graswortelvlinder ( Apamea monoglypha )

 

Vliegen in Juni-augustus in één generatie; soms enkele late exemplaren in september-oktober.

De vlinders komen goed op licht en op smeer.

Ze bezoeken bloemen van onder andere vlinderstruik en blijven daar vaak rusten met horizontaal gehouden trillende vleugels.

 Deze uil is groter dan de andere Apamea-soorten.

De doorgaans grijsachtig bruine of strokleurig grijze voorvleugel loopt tamelijk spits toe.

Het gedeelte langs de binnenrand is lichter van kleur dan de rest van het middenveld.

Opvallend zijn de grote uilvlekken en de forse W in de lichte golflijn.

De ringvlek is nooit rond, maar langgerekt en meestal schuin georiënteerd.

Een belangrijk kenmerk, dat ook zichtbaar is bij donkere exemplaren, wordt gevormd door de twee donkere V-vormige lijnen op de bovenzijde van het borststuk.

Er is veel variatie in kleur; soms komen vlinders voor met een zwartachtige of diepbruine kleur; de tekening kan daarbij zowel opvallend als onduidelijk zijn.

De rups is  dik tot 45 mm met een glanzend lichaam, bleek bruinachtig grijs met glimmende, zwarte vlekjes.

Kop glimmend zwart.

Habitat bestaat uit graslanden, landbouwgronden, struwelen, wegbermen, bossen, heiden en moerassen.

Als waardplant hebben ze diverse grassen, waaronder kweek, kropaar en ruwe smele.