Groot dikkopje ( Ochlodes sylvanus )

 

De onderkant van de achtervleugel is geelachtig, met duidelijke lichte vlekken.

Het mannetje heeft op de bovenkant van de voorvleugel een duidelijke geurstreep in de vorm van een langgerekte S.

Het groot dikkopje heeft geen kommavlek. 

Vliegen begin juni-half augustus in één generatie.

De vlinders voeden zich met nectar van onder andere gewone braam, dophei en akkerdistel.

's Middags vertonen ze territoriaal gedrag, vaak vanaf steeds dezelfde uitkijkposten.

De dichtheid aan vlinders is hoog tot zeer hoog, tussen de 16 en meer dan 100 individuen per hectare.

Mannetjes wisselen patrouillevluchten af met het verdedigen van een territorium. Over het algemeen houden ze 's ochtends patrouillevluchten en verdedigen 's middags een territorium.

Opvallend daarbij is dat ieder jaar min of meer dezelfde uitkijkposten worden gebruikt.

Vooral geliefd zijn open zonnige plaatsen langs een bosrand of heg waar de waard- en nectarplanten staan.

Om deze plaatsen wordt dan ook wel eens 'gestreden'.

De vlucht tijdens zulke gevechten is zo snel, dat de vlinders nauwelijks te zien zijn, maar het ritselen van de vleugels is wel te horen. Wanneer een vrouwtje voorbijvliegt, maakt het mannetje een snelle baltsvlucht waarna beide vlinders in een boom of struik landen.

Een vrouwtje dat door een mannetje wordt benaderd maar niet wil paren, trilt snel met de vleugels.

Habitat bestaat uit allerlei beschutte, vrij vochtige graslanden en ruigten, zoals vochtige heide met pijpenstrootje, grazige ruigten in graslanden, open plekken in bossen en langs bosranden.