Wilde gagel ( Myrica gale )

 

Wilde gagel groeit in natte heide, aan de randen van vennen en in berkenbroekbossen.

Binnen het heide-milieu gaat het dikwijls om iets voedselrijkere plekken.

De zandige bodem is sterk humeus tot venig en nat.

Veelal staat de standplaats onder invloed van toestromend, lokaal grondwater.

Schommelingen in de watertafel zijn eerder gering.

Langdurige overstroming verdraagt wilde gagel moeilijk, terwijl een lichte verdroging met mineralisatie van het veen de plant bevoordeelt.

De wilde gagel bloeit in april en mei.

De goudkleurige katjes verschijnen voor de bladeren aan de twijgen die daarna niet meer doorgroeien.

De struik is veelal tweehuizig.

Meestal komen op een struik mannelijke of vrouwelijke katjes voor, waarbij eenzelfde specimen van geslacht kan wisselen en in het ene jaar vrouwelijke en in een ander jaar mannelijke katjes kan dragen.

De mannelijke katjes zijn langwerpig, de vrouwelijke meer gedrongen.

De schubben (schutbladen) van de vrouwelijke bloemen vallen niet af en zijn met de vruchten vergroeid.