Levendbarende hagedis ( Zootoca vivipara )

 

De levendbarende hagedis is een vrij kleine, bruinige hagedis met een relatief lange staart.

De eitjes ontwikkelen zich volledig in het moederlichaam.

De levendbarende hagedis eet ongewervelden, voornamelijk insecten, wormen en spinnen.

De soort gebruikt ongeveer 0,5 gram voedsel per dag, en op jaarbasis zo'n zestig tot honderd prooien.

De levendbarend hagedis verkiest vochtige heide- en veengebieden met dopheide, pijpestrootje en beenbreek en met opslag van berk en grove den.

De soort komt ook voor in drogere biotopen zoals struikheidevelden, duinen, open plekken in bossen en heischrale graslanden.

Ook in structuurrijke weg- en spoorbermen of in ruigtes kan je soms levendbarende hagedissen aantreffen.

Gerheserheide is het ideale biotoop voor deze diertjes , verder is er een grote populatie aanwezig aan de schans van Gerhees en het sterrenplekje den Tus.

De kleur van de volwassen exemplaren is koperbruin tot bruingrijs met op iedere flank twee lichte strepen in de lengte, donkerbruine flanken en zijkanten van de kop.

De kleur is variabel en kan sterk neigen naar grijs of enigszins groenig zijn maar nooit zo helder groen als bijvoorbeeld het mannetje van de zandhagedis tijdens de paartijd.

Over de rug en flank loopt vaak een vale bruine vlekjestekening, soms een rij vlekken.

De mannetjes worden gemiddeld groter dan de vrouwtjes en zijn daarnaast te herkennen aan de meer donkere kleur.

De kop van het mannetje is wat groter ten opzichte van het lichaam en de staartbasis van het mannetje is verdikt wat wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van de hemipenis.

Ook hebben mannetjes vaak een oranje buik die duidelijk gevlekt is met kleine, bruine tot zwarte vlekjes.

De buik van het vrouwtje en de juvenielen is geelachtig en meestal ongevlekt.

De levendbarende hagedis is een bodem bewonende soort die soms klimt maar dit in de regel alleen doet om te zonnen.

Het is daarnaast een uitstekende zwemmer, die regelmatig het water opzoekt en ook om aan vijanden te ontkomen in het water duikt en op de bodem schuilt.

Het water wordt opgezocht om van de ene plek naar de andere te zwemmen en ook in het water gevallen insecten worden moeiteloos buitgemaakt.

Bij het zwemmen worden de poten langs het lijf gehouden terwijl met de staart wordt geroeid.

Vermoed wordt zelfs dat de hagedis zich geografisch heeft verspreid door overstromingen, waarbij de dieren in lager gelegen delen terecht zijn gekomen en zich hier hebben gevestigd.

De hagedis schuilt bij slecht weer onder stenen, omgevallen boomstammen of in holletjes.

Bij zonnig weer worden ze vaak zonnend verticaal tegen boomstammen gezien. 

Zonnen is belangrijk voor de levendbarende hagedis, omdat de soort in koelere streken leeft.

Bij een normale lichaamstemperatuur van 15 graden, na een zonnebad kan deze oplopen tot de optimale temperatuur van ongeveer 30 graden.

Om de efficiëntie te verhogen wordt de buik afgeplat om zo het lichaamsoppervlak te vergroten.

De hagedis is eenmaal opgewarmd veel sneller en kan beter jagen op prooien en vluchten voor vijanden.

Gedurende een deel van de winter wordt een winterslaap gehouden, waarvan de duur afhankelijk is van de geografische locatie.

Meestal zoeken de dieren vanaf oktober hun winterkwartier op om deze vanaf maart weer te verlaten.

In het zuiden van Europa duurt de overwintering drie maanden, in het noorden kan dit oplopen tot wel negen maanden.