Groene kikker ( Pelophylax )

 

De Groene kikker behoort tot de waterkikkers en is een zeer algemene soort in België.

De Meerkikker komt vooral voor in waterrijke gebieden, terwijl de Poelkikker meestal te vinden is in droge gebieden met geïsoleerde en eerder voedselarme vennen en poelen.

De Bastaardkikker past zich dan weer gemakkelijk aan en stelt minder eisen aan z’n leefomgeving.

Het leefgebied van de Meerkikker en de Poelkikker verschilt sterk van elkaar, waardoor een kruising tot Bastaardkikker niet vaak kan optreden.

Typisch voor hybriden is dat ze zich niet zelf verder kunnen voortplanten.

Ze brengen enkel niet-levensvatbare nakomelingen voort.

Om een onderscheid te maken tussen de Poelkikker, de Meerkikker en de Bastaardkikker, bestaan er verschillende methodes.

Door beide achterpoten te meten en door de grootte van de graafknobbel op beide voeten te bepalen, kunnen vrijwilligers op basis van vooropgestelde formules bepalen tot welke soort het dier behoort.

Ook de vorm van de graafknobbel kan leiden tot identificatie: die is namelijk groot en symmetrisch bij de Poelkikker en asymmetrisch bij de Meerkikker en de Bastaardkikker.

Het voedsel bestaat voornamelijk uit ongewervelden zoals wormen en vliegen  en soms wat grotere prooien als muizen en amfibieën.

 

De bastaardkikker is een hybride die oorspronkelijk ontstaan is uit een kruising tussen poelkikker en meerkikker.

De uiterlijke kenmerken van een bastaardkikker liggen tussen die van de meerkikker en de poelkikker in.

De bastaardkikker is op de rug groen tot bruin van kleur (soms met donkere vlekken), veelal met een lichtgroene lengtestreep midden op de rug en een marmertekning op de buik.

Hij wordt tot maximaal 12 cm groot.

De achterpoten zijn relatief lang.

Het belangrijkste kenmerk is de vorm (asymmetrisch) en grootte (40 à 50% van lengte teen) van de graafknobbel.

Herkenning is alleen mogelijk na bestudering van de hierboven beschreven kenmerken, of wanneer de mannetjes duidelijk roepen. Maar zelfs na vangt is het soms niet mogelijk om tot soortdeterminatie te komen.

 

Groene kikkers verlaten hun winterverblijfplaatsen vanaf maart, maar meestal aanmerkelijk later dan de bruine kikker en de heikikker. Ze zijn vooral overdag actief, maar in de voortplantingstijd ook 's nachts en in de schemering.

Ook buiten de paartijd leven ze vooral in de directe nabijheid van water.

Ze zijn schuw en bij verstoring op land springen ze direct het water in en verbergen zich tussen waterplanten of graven zich in de waterbodem in.

De larven bevinden zich bij zonnig weer in de bovenste waterlagen liefst nabij waterplanten.

Bij verstoring duiken ze snel tussen de plantenmassa.

De metamorfose van larven vindt in plaats vanaf augustus tot begin oktober, met een piek tussen half augustus en half september.

Na half oktober verblijven de meeste dieren in hun winterverblijfplaatsen.

 

Er bestaat nauwelijks verschil in voedselkeuze tussen de drie soorten groene kikkers.

Volwassen groene kikkers zijn generalisten en opportunisten en eten vrijwel alle ongewervelde dieren die niet te klein of niet te groot zijn. Allerlei insecten (vooral de larven daarvan), zoals vliegen, kevers, libellen, wespen en mieren, verder cicaden, springstaarten, spinnen, slakken vormen belangrijke prooidieren.

Ook worden wel kleine gewervelde dieren zoals jonge muizen, vogels en kleinere amfibieën, gegeten.

Kannibalisme komt voor.

Larven leven vooral van plantaardig materiaal, detritus en dood materiaal van dierlijke oorsprong en schakelen met toenemende leeftijd over op levend dierlijk materiaal.