Wegmier ( Lasius niger )

 

Wegmieren behoren tot de schubmieren.

Dat wil zeggen dat er tussen het achterlijf en het borststuk een schubachtig lichaamsdeeltje zit.

De groep schubmieren waar de wegmier toe behoort de Lasiini, zijn de minst slanken: relatief brede kop, relatief breed borststuk en relatief korte poten.

Het geslacht Lasius, is weer onderverdeeld in subgroepen, subgenera.

Het subgenus Lasius s.str. bestaat uit niet-gele en niet-glanzende, donkere mieren.

Binnen deze groep heb je mieren met behaarde schenen en zonder behaarde schenen.

Van de mieren met behaarde schenen is de wegmier te herkennen aan een dichte en kort behaard kopschild.

Ze zijn zelfs de enige Lasius-soort met een dergelijke snor.

Wel een lastig kenmerk, want met een loep van 20x is die snor zelfs met een goede belichting nauwelijks te zien.

De gevleugelde wegmieren verlaten grotendeels massaal het nest.

Vaak gelijktijdig met die van vele andere nesten in de buurt.

Gewoonlijk is dat aan het einde van de middag, voorafgaand aan zwoele avonden, vaak drukkend weer, soms met naderend onweer, meestal in de periode eind juli tot eind augustus.

De werksters jagen de gevleugelden weg.

In de lucht maken de mannetjes en de prinsessen contact en paren dan, vaak op de grond.

De bevruchte prinses werpt haar vleugels af en gaat op zoek naar een geschikte nestplaats.

Vaak doet ze dat samen met enkele andere prinsessen, waarvan uiteindelijk een overblijft: de koningin.

Zij heeft de anderen omgebracht.

Ze produceert in haar leven duizenden eieren, waaruit zich vooral werksters ontwikkelen.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld wespen en hommels, gaan de werksters aan het eind van het seizoen niet dood, maar overwinteren in het nest.

Ze worden twee tot drie jaar oud, terwijl een koningin wel tien jaar oud kan worden.

Mannetjes sterven nadat ze een prinses bevrucht hebben (als ze die kans hebben gehad!) omdat ze niet in staat zijn voor zichzelf te zorgen, noch om zich te verdedigen tegen allerlei insecten en vogels, die ze graag eten.