Behaarde bosmier ( Formica rufa )

 

Het lichaam is vrij groot; ongeveer 6-11 millimeter en roodbruin van kleur.

vaak zijn kaken en borststuk roodbruin en de rest van het lichaam donkerbruin tot zwart.

De behaarde bosmier heeft minstens 25 haren op het pronotum .

De poten en tasters zijn zwart en de tasters zijn afgeplat.

Mannetjes zijn geheel zwart.

Deze komen echter alleen in de paartijd ter wereld, en sterven al korte tijd later.

De behaarde bosmier graaft typische, deels bovengrondse nesten en staat bekend als een agressieve soort; bij verstoring kruipen duizenden woedende mieren op de verstoorder af die het vrijwel altijd aflegt en wegvlucht, al is hij nog zo groot.

Dat komt door de stevige kaken waarmee gemeen gebeten kan worden en ook kan de mier mierenzuur afscheiden met het achterlijf, dat echter geen angel bevat.

Een enkel nest kan honderdduizenden mieren en meerdere koninginnen bevatten en ook scheuringen vinden plaats waardoor er meerdere nesten in de buurt ontstaan, dit wordt een kolonie genoemd.

Een van de weinige diersoorten die ze toch trotseert, en zelfs graag lust, is de groene specht.

De behaarde bosmieren verzamelen naalden, kleine takjes en ander organisch materiaal voor de bouw van hun nesten.

Ze verzamelen ook hars vooral als er naaldbomen in hun territorium staan.

Hars bestaat voornamelijk uit suikers en zou een interessante energiebron kunnen zijn.

Het is echter onduidelijk of de mieren de hars ook echt eten.

Hars is een goed bouwmateriaal omdat het waterafstotend is, de naalden aan elkaar plakt en schimmel- en bacteriën dodend is.

Het nest is de kenmerkende hoge mierenhoop maar heeft ook een ondergronds deel.

Ze komen vooral voor op zandgronden in open bossen en aan de zuidrand van dichtere bossen.

Het nest heeft een ventilatiesysteem waarmee de mieren vochtigheid en temperatuur kunnen regelen.

In het vroege voorjaar worden de mieren actief en stijgt de temperatuur van het nest.

Later in het voorjaar komt de reproductie op gang als de nieuwe koninginnen en de mannetjes uitvliegen om te paren.

Het mannetje sterft kort daarna en de bevruchte koningin sticht een nieuwe kolonie in het nest van een andere mierensoort.

Het voedsel bestaat uit alles wat ze te pakken kunnen krijgen en eetbaar is. Een belangrijk deel van het voedsel wordt verkregen middels symbiose met bepaalde soorten bladluizen.

Deze komen voor op inheemse boomsoorten als grove den, eik en berk.

De mieren beschermen de luizen tegen vijanden zoals lieveheersbeestjes, en eten de 'kleine boodschap' van de luis; honingdauw of luizenmelk.

Dit zijn de plantensappen vermengd met veel suikers, want luizen gebruiken de suikers niet voor de stofwisseling